15 april 2020

Fietsend naar tante Elisa en Ome Louis, Chêne, België (1961)

Wat ik al decennia graag doe, is (meerdaagse) trektochten maken. Wandelend of fietsend, dat maakt weinig uit, maar in de praktijk komt het, zeker de laatste tijd, neer op wandelen. Wat minstens zo leuk is, is er over lezen en plannen maken om het te doen, waarbij het uitstippelen van de reis op de kaart ook erg belangrijk is.

Waar en met wie heb ik dat zoal gedaan? Met zwager Hans op de brommer naar Zuid-België in één dag en later weer terug (1967). Met zwager Leen op de bromfiets naar de bron van de Maas, naar de landingsplaatsen in Normandië, naar Wales en naar de Sognefjord in Noorwegen (1975-1978). Met mijn lieve Diny wandelend in België, Engeland en een stuk van de GR5 van Hoek van Holland naar de Franse grens, maar ook in Noorwegen op de Hardangervida (1985-1999). Met het gezin in de Zwitserse Alpen (1982-1991) en later alleen in Noorwegen, inclusief een pelgrimstocht van Bergen (N) naar Trondheim (2000-2019). Maar het begon allemaal met de elfdaagse trektocht van Schiedam naar Chêne in de Belgische Ardennen v.v., met mijn vader op de fiets en onderweg voornamelijk kamperend. Dáár heb ik deze voorliefde voor trektochten vandaan! Hieronder een kort verslag van mijn eerste trektocht.

Ik weet niet meer precies wanneer het was, maar het is waarschijnlijk begin 1961 geweest. Mijn vader vroeg me of ik zin had om in de Paasvakantie naar België te fietsen en onderweg te kamperen. We hadden al eens eerder een poging gewaagd om daar naar toe te gaan. Dat was een paar jaar daarvoor toen we op vakantie waren in Voorthuizen en het liefste broertje van Ma, Ome Wout (zie blog "Mijn eerste herinneringen"), samen met zijn vrouw (tante Ida), bij ons op bezoek kwam. Ome Wout had een motor met zijspan. En Pa en ome Wout kwamen op het idee om naar België te gaan om daar tante Elisa en ome Louis te bezoeken. In de zijspan was nog plaats voor iemand en ik wilde best mee. Het bleek toen echter een brug te ver om dat in één dag (heen en weer) te doen en halverwege, in Hoei aan de Maas, zijn we weer terug gegaan. Nu had ik weer de kans om er naar toe te gaan en die kans greep ik maar al te graag. Het leek me leuk en spannend.

Maar voordat we daadwerkelijk op de fiets zaten, was er eerst nog de "voorpret". Mijn vader liet me op de kaart zien hoe de route zou zijn. En met "op de kaart" bedoel ik op kaarten in een oude atlas (uitgave van Het Rotterdams Nieuwsblad) die mijn vader rond 1940 bij elkaar had gespaard via een losbladig systeem; elke dag of week een paar bladzijden. En die losse bladzijden waren uiteindelijk ingebonden tot een heuse, dikke wereldatlas. Ik heb die atlas trouwens nog steeds, zie foto. Elke provincie (van Nederland en België) had zijn eigen kaart. Dus op die kaarten liet mijn vader zien hoe we er naar toe zouden gaan. Daarna heb ik nog wekenlang elke keer die atlas gepakt en heb ik die route voor mezelf herhaald, net zo lang tot ik hem uit mijn hoofd kende.

Ook de fietsen werden goed nagekeken. We hadden allebei een Benzo-fiets, Pa een fiets met drie versnellingen (Sturmey Archer) en ik een gewone fiets zonder versnellingen. Voor mij werd een nieuwe fietstas gekocht. Ik kreeg als bagage de (lichte) kleren, slaapzakken en luchtbedden en mijn vader de zware tent en tentspullen. Alles werd heel goed voorbereid.

We zouden  in vier dagen heen fietsen, drie dagen blijven logeren bij tante Elisa en Ome Louis in Chêne (bij Ebly), en dan ook weer in vier dagen terug fietsen. De route ging via de overnachtingsplaatsen Baarle-Nassau, Tienen, Celles (achter Dinant) en terug over Hotton, Eijsden en Vessem. Totaal zo'n 670 kilometer. En ..... alles is volgens plan verlopen.
Zo zou de route er anno 2020 uitgezien hebben
Welke details herinner ik me nog van de reis en het verblijf? In zijn algemeenheid kan ik me niet herinneren dat we veel ongemak hebben gehad door bijvoorbeeld regen of kou. Rond de Pasen kan het natuurlijk 's nachts best wel koud zijn  en dat zou ik me toch herinnerd moeten hebben met slapen in een tentje. Pa vertelde wel veel onderweg over wat hij "toen" meegemaakt had. Hij had de tocht namelijk al eens eerder gedaan, in 1952 samen met zijn zwager (mijn ome Wout) waar ik al eerder over verhaald heb. Die verhalen vond ik erg leuk.

Wat op de heenweg indruk op me gemaakt heeft was het bordje "gezinsverpleging" bij de gemeente Geel. Daar leefden psychische patiënten in redelijk grote aantallen bij gewone gezinnen (ik heb het even opgezocht, deze eeuwenoude traditie bestaat nog steeds!). Verder de eerste serieuze "berg" (eigenlijk een heuvel) bij Diest, de citadel van Namen, de rots de Bayard (uit een legende van de Vier Heemskinderen), het roken van mijn eerste sigaretje (je bent nu groot en mag je een sigaretje roken, gelukkig vond ik het hartstikke vies!) en de eerste echt serieuze klim, waarbij we bijna vijf kilometer moesten wandelen.
Bij de rots de Bayard, Dinant
Mijn eerste sigaretje ...... vies!
Met de Paasdagen logeerden we bij tante Elisa en Ome Louis. Het verhaal van en over deze twee lieve mensen is best erg interessant om hier te vertellen. Zoals al boven vermeld, had Pa deze tocht al eerder gemaakt, samen met zijn zwager Wout, alleen dan op brommers (zie foto onder). Een aantal kilometers voor Chêne ging ome Wout onderuit en had een lelijke wond aan zijn arm. Ze vroegen bij de plaatselijke bevolking om hulp, maar de taal (Frans)  bleek een grote barrière. Ze werden verwezen naar een vrouw die Vlaams sprak in Chêne, tante Elisa dus. Zij bood hulp en zo ontstond een, de band. Elisa en Louis waren getrouwd, maar bewust kinderloos. Louis had in de eerste wereldoorlog gevochten in de loopgraven en had daar zeer veel leed en ellende meegemaakt. Hij was bang dat er nog een oorlog zou komen en die ellende wilde hij zijn eventuele kinderen niet aandoen. Wat een vooruitziende blik! Dit verhaal maakte diepe indruk op me en ik had dan ook veel respect voor het lieve echtpaar.

Pa op zijn Berini tijdens de tocht in zuid-België met oom Wout (1952)
Het logeren bij tante Elisa en oom Louis was erg leuk, hoewel het eten zeker niet altijd naar mijn smaak was (eieren die naar vis smaakte en hesp, een voor mij wel erg zoute ham). Ook werd er bier gedronken bij het eten, ook door kinderen, maar dat bier bevatte maar weinig alcohol, 1-2 %. Ik denk trouwens dat ik dat wel lekker vond. Maar de "tante en oom" waren best erg aardig voor mij. Het huis was ook leuk gelegen, tegen een heuvel aan gebouwd, beschut tegen de oostenwind. En het uitzicht was over weidevelden. Jammer genoeg heb ik oom Louis niet lang meegemaakt, na de eerste logeerpartij wellicht nog twee vakanties, want hij is waarschijnlijk eind 1965 overleden. We zijn na ome Louis overlijden als familie, en ik later met mijn jonge gezin, nog jarenlang bij tante Elisa gaan logeren, tot midden zeventiger jaren van de vorige eeuw. Ik moet het dan ook erg naar mijn zin gehad hebben bij het echtpaar Mathieu, die drie dagen dat ik daar met Pasen 1961 heb gelogeerd.

Tante Elisa en oom Louis voor hun huis, bij een later bezoek van Pa&Ma
Van de terugreis herinner ik me vooral La Roche-en -Ardenne, waar je met een luchtbuks kon schieten op ballonnetjes die in rijen vastgebonden in het riviertje de Ourthe lagen. Vanaf La Roche hebben we voornamelijk door het Ourthedal gefietst, stroomafwaarts tot Luik en daarna langs de Maas Nederland weer in. Dat was relatief makkelijk fietsen. Van het Ourthedal herinner ik mij de vele kasteeltjes en ik heb Pa bij een van die optrekjes vereeuwigd. Luik herinner ik mij van het uitzicht op die grote stad, waar je vanaf een heuvel mooi op kon kijken.
Pa bij één van de kasteeltjes langs het Ourthedal
Blogger bij het uitzicht over Luik
Net over de grens kampeerden we in het Nederlandse Eijsden, maar wellicht hebben we daar in een hotelletje geslapen bij een camping. Ik herinner me in ieder geval dat we daar 's avonds met mensen in een café of kantine hebben zitten kletsen. De laatste overnachtingsplaats was Vessem, waar we (weer) gekampeerd hebben op onze vertrouwde camping "de Zonnehoek" link. De laatste etappe naar Schiedam was daarom een bekende route en via het laatste obstakel, met de fiets door de Maastunnel, kwamen we na elf dagen weer thuis.

Wanneer je dit hele stuk gelezen hebt, begrijp je waarschijnlijk wel dat deze tocht grote indruk op mij, een kind van elf jaar, gemaakt moet hebben. De voorbereiding (verkennen op de kaart), de tocht met dagen achtereen fietsen, inclusief lopen tegen de steilere heuvels, kamperen, logeren bij tante Elisa en ome Louis, het kaartlezen, de hele dag in de natuur, het heeft me gevormd. Pa, bedankt dat je me dit allemaal hebt laten beleven. Ik heb er de rest van mijn leven ontzettend veel plezier van gehad!

1 opmerking:

  1. Ongelooflijk dat je die details allemaal nog kunt herinneren. Het is wel een tijdsbeeld waar ik me wat bij kan voorstellen. Ook voor mij waren de eerste reisjes richting Belgische Ardennen een belevenis, vooral de grotten van Remouchamps en Coo.

    BeantwoordenVerwijderen