01 augustus 2020

De middelbare school, deel 1 (1962-1965)

In een eerdere blog, over mijn lagereschooltijd, verhaalde ik al over het toelatingsexamen dat ik aflegde voor de hogereburgerschool (HBS). Ik slaagde en in september 1962 was het dan zover, de eerste schooldag op de HBS. Deze blog beschrijft hoe ik de eerste  drie jaar, de z.g.n. onderbouw, heb beleefd.

Ik zag best wel op tegen de eerste schooldag. Vriendjes vertelde me dat er veel "kakkers" op die school zaten, kinderen van rijke ouders. Ze zeggen daar: "zullen we even een kwartje gaan verbrassen" ..... Nou, mijn eerste indruk viel best mee. Ik zat met kinderen uit alle lagen van de bevolking in de klas. Toegeven: achteraf bleek dat het aantal kinderen waarvan de ouders dokter of apotheker waren best groot was. Maar de meeste kinderen gedroegen zich "normaal".

Het schoolgebouw was een statig bouwwerk uit 1869. Het was gelegen aan de Overschiesestraat in het centrum van Schiedam. Tegenwoordig staat het "Theater aan de Schie" er. Twee van de statige kastanjebomen, die er omheen stonden, staan er nog. Het was best wel bouwvallig, bleek later. In de periode dat ik daar op school zat werden er een protestmars gehouden voor bouwkundige verbeteringen. In een lokaal was namelijk het plafond naar beneden gekomen. Ik deed daar niet aan mee. Als braaf jongetje wilde ik zoveel mogelijk van mijn tijd aan huiswerk besteden. Ik was best streberig: ik leerde gewoon voor een tien!
Op deze foto komt de statigheid van het gebouw goed tot uitdrukking.
Wel ging ik naar klassenfeestjes en later ook schoolfeestjes. In de eerste klas oefenden we voor het toneelstukje "Appendicitis". Je raad het misschien al, het was een toneelstukje in het Engels over een patient die een blindedarmontsteking heeft. Het toneelstukje eindigde met een polonaise en een liedje dat ik na bijna 50 jaar nog steeds een beetje kan meezingen, nou meeneuriën. Bijzonder toch? Bij één van die repetities is onderstaande foto gemaakt.
Repetitie van het toneelstukje, blogger als een na laatste in de polonaise.
In de tweede klas hadden we ook een klassenfeestje waar een foto van bewaard is gebleven. Ik probeer hier te dansen met Sylvia 't H., maar dat lukte niet zo. Daarom ben ik al snel op dansles gegaan bij dansschool Sitton in Schiedam. Ik wilde niet weer "voor gek" staan bij een volgende klassenavond. Op de voorgrond danst de schoolliefde van me, Marijke B. "Het mooiste meisje uit de klas", zullen we maar zeggen. Op de achtergrond danst een lerares met een oudere leerling. Er zaten een aantal jongens bij ons op school die veel ouder waren, wel tot vijf jaar ouder. Dat kwam omdat die een "tienjarenplan" hadden. Ik vond dat, met mijn (te?) sterk ontwikkelde rechtvaardigheidsgevoel, een erg verwerpelijke houding. Zij deden namelijk op kosten van hun ouders elke klas een keer over om zo een "leuke" schooltijd te hebben. Is het toeval dat ik geen enkel meisje op onze school heb gekend met zo'n plan? Nee, meisjes zijn gemiddeld veel leergieriger en eerder volwassen dan jongens .... en eigenlijk ook intelligenter, haha.

In de tweede en derde klas zaten Ton B. en Jan N. bij me in de klas. Ton is twee jaar een goede vriend van me geweest, ik kwam ook bij hem thuis. Met Jan heb ik in een "bandje" gespeeld. Niet dat ik gitaar kon spelen hoor, het was een maar playback bandje dat optrad op het feestje van de derde klas. We zongen overigens wel mee, dus wellicht is karaokebandje een betere uitdrukking. Nu realiseer ik me dat het niet om aan te horen geweest moet zijn. Jan kon trouwens best goed gitaar spelen, dus waarom hij op de onderstaande foto achter de drum zit snap ik eigenlijk niet. Het kan niet door een dominante houding van mij geweest zijn, want ik was best wel een verlegen type. Het enige wat ik trouwens wel aardig kon, was die sprong zoals ik die op de foto maak. Nageaapt van de band The Scorpions (van de hit "Hello Josephine!"). Aan het eind van de derde klas bleven Ton en Jan zitten en zijn goede vrienden van elkaar geworden. Ik ging door naar de bovenbouw en de vriendschap tussen ons was over. Zo ging dat blijkbaar in die tijd?
Little John and the Blitzboys
Muziek speelde in die tijd best een belangrijke rol in het leven van de schooljeugd. Zo ook bij mij. Toen ik op de HBS kwam was ik een grote fan van Cliff Richard en zijn muziek. Maar al snel moest ik, om er op school bij te blijven horen, overstappen naar de "aanbidding" van een moderner bandje. De muziek van Cliff Richard werd toen weggezet als "meidenmuziek". The Beatles en Stones, díe waren in. Ik koos voor The Beatles en daar ben ik nog steeds een grote fan van. Maar ik vind de muziek van Cliff Richard ook nog steeds erg leuk hoor!

En dan, niet onbelangrijk, de vorderingen van mijn studie.
De belangrijkste vakken van mijn rapport(ten) van de HBS
De eerste drie klassen kwam ik probleemloos door. Op mijn eerste rapport had ik zelfs een tien en een paar negens. Maar die hoge cijfers liepen snel terug, waarbij duidelijk werd dat ik meer gevoel had voor de "technische vakken" dan voor talen. Aan het eind van de derde klas had ik gemiddeld een zes voor mijn talen en zevens en achten voor de technische vakken. Onvoldoendes? Meestal wel één per trimester en wel een taal, naar keuze, haha. Het is dus niet zo vreemd dat ik in de bovenbouw koos voor de "B" richting. Mijn lievelingsvakken waren trouwens Plant- en dierkunde en Aardrijkskunde.

Toen ik in de bovenbouw van de HBS zat gebeurde er erg veel in mij leven. Daarom vertel ik in een latere blog wel hoe het verder met me gegaan is in die laatste twee jaren van de HBS.

19 juli 2020

Onze vrienden in Amerika (1960 - 1965)

In een eerdere blog vertelde ik dat mijn ouders vrienden hadden in de straat. En door die vriendschap hadden wij, als kinderen, natuurlijk gelijk vriendschap met hun kinderen. Deze vrienden besloten in 1959 naar Amerika te emigreren en daardoor was ik, en ook Zus, in één klap gelijk een deel van mijn vriendjes kwijt. Zoals vele andere emigranten, reisden zij per boot naar New York en kwamen ze in Californië terecht. We hebben nog lang contact met ze gehad, voornamelijk via briefwisseling. Want telefoneren was in die tijd heel erg duur en natuurlijk was er nog geen internet.

De berichten die wij uit Californië kregen waren over het algemeen heel erg positief. Ze hadden al vrij snel werk, al waren het vrij eenvoudige baantjes, zoals schoonmaakwerkzaamheden en werken in de horeca. Maar oom George was in Nederland automonteur geweest en had al vrij snel een baan in een garage. Maar om goed te kunnen rondkomen moest tante Bien daar ook werken, iets wat ze hier niet deed. Dat was in Nederland in die tijd namelijk ongebruikelijk, je liet je vrouw niet werken, dat was een teken dat je zelf niet genoeg kon verdienen om het gezin te onderhouden.

Al gauw verdiende ze samen genoeg om een redelijk groot, vrijstaand huis te bewonen. Je kent die huizen wel uit de Amerikaanse TV-series met klap- en lachmachines. Maar niet alleen de huizen zelf waren min of meer een kopie uit die series, ook de inrichting met grote keuken en immens grote koelkast, de tuin er om heen met oprit en grote garage én een zwembad. Ja, ze hadden het materieel al erg snel goed voor elkaar.
Oom George met hond Blacky voor de garage van hun huis
Achter op de foto heeft tante Bien dit geschreven:

Ook hadden ze al snel vrienden. Ook andere familieleden verhuisden naar Californië en woonden niet zo heel ver bij hen vandaan. Hieronder nog een foto die wij uit Amerika kregen, waarbij oom George met één van zijn vrienden vereeuwigd is.
Tekst achter op de foto: "Zoiets geks kan je alleen van Amerika verwachten, hè?" 
Nu begrijp ik ook waarom ze, en andere mensen die uit voormalig Nederlands-Indië kwamen, verhuisden naar Californië (o.a. uit de huidige televisie documentaire "Vaarwel Nederland"). Ze voelden ze zich niet zo erg thuis in Nederland: economisch ging het niet erg goed hier, het land was "vol" en het klimaat werkte ook niet mee wanneer je de tropen gewend was. De Nederlandse overheid propageerde en "sponsorde" ook emigratie in die tijd.

En onze vrienden waren heel gastvrij, hier al en ook in hun nieuwe situatie. Dus het was al snel een komen en gaan van visite, die ook een aanslag deden op de inhoud hun koelkast. Dit alles lazen we duidelijk uit de brieven en al vrij snel konden we dat ook opmaken uit de filmpjes (smalfilm) die gestuurd werden. Want heel Amerika filmde in die tijd. Ook werden er pakjes gestuurd, waarbij Zus zich nog heel goed kan herinneren dat ze een setje van zeven onderbroekjes kreeg, met op elk daarvan de naam van een dag in de week. "Ik vond het heel leuk en zoiets hadden we hier niet", zegt ze nu, "ook omdat de tekst in het Engels was".

Ook van onze kant werden brieven gestuurd, en meer. Met Sinterklaas stuurde wij ook pakjes met pindakaas, drop, stroopwafels en andere Nederlandse lekkernijen die daar niet te krijgen waren. Ook wij maakten filmpjes. Ik herinnerde nog dat Pa een leuke film gemaakt had van het inpakken en uitpakken van één van de dozen die we naar hen opgestuurd hadden. Door het halverwege stopzetten van de filmcamera "toverde" mijn vader de doos vol. Ja, Pa is altijd in geweest voor geintjes en, inderdaad, hij was best vingervlug en kon best, zeker kinderen, vermaken met zijn goocheltrucs.

Na de eerste zeg vijf jaar redelijk intensieve briefwisseling verwaterde het contact. Wel zijn tante Bien en oom George met een van de kinderen nog een keer of twee in Nederland geweest. Maar het was niet meer zoals het geweest was, we waren een beetje uit elkaar gegroeid.

Zijn ze als familie echt beter geworden van de emigratie? Pa zei altijd: "ze werken zo hard daar (ze hadden in het begin beide ook meerdere kleine baantjes), op die manier hadden ze het hier ook goed gehad". Daar had Pa wel gelijk in, maar het gaat voorbij aan het warmere klimaat dat ze in Californië hadden en het feit dat ook een deel van hun familie al daar naar toe geëmigreerd was. Wat ik denk is dat oom George en tante Bien het zelf wel naar hun zin gehad hebben en dat ze hun emigratie geslaagd vonden, zeker in de begin jaren. De kinderen is een ander verhaal: die zijn zeker niet goed terecht gekomen. Eén van de zonen moest in militaire dienst en werd uitgezonden naar Vietnam, een drama. Beide zonen waren aan de drugs en geen enkel van de huwelijken van de kinderen hielden stand, soms met meerdere echtscheidingen ...... Amerika was op die gebieden toen al ver vooruit op Europa.

De vier kinderen van oom George én tante Bien.
Pasfoto's die naar ons opgestuurd zijn (~1963).

Maar er is één positive uitzondering en dat is de oudste zoon (van oom George uit een eerder huwelijk). Hij was stuk ouder dan de andere kinderen en werkte bij de marine toen de rest van het gezin naar Amerika emigreerde. Hij is in Nederland gebleven, getrouwd en later met zijn gezin toch naar Amerika afgereisd. Dat verhaal vertel ik wel in een volgende blog.

02 juli 2020

Kennismaking met de Dood (1962/1963)

In een vorige blog heb ik al verteld hoe ik voor het eerst met de dood geconfronteerd ben. Dat was in 1960, toen ons hondje Teddy overleed. Een paar jaar later kwam ik ook te weten dat ook mensen dood kunnen gaan .....

De eerste keer was dat in 1962, toen mijn iets oudere neef Fred plotseling overleed. Fred kwam thuis van school en klaagde over hoofdpijn. Hij is toen naar bed gegaan, raakte in coma en is dezelfde dag aan de gevolgen van een hersenbloeding overleden. Natuurlijk was het een grote schok in de familie. Het was zo plotseling en Fred was nog geen 16 jaar. In die tijd werd je als kind niet zo betrokken bij dat soort gebeurtenissen en zeker weggehouden bij begrafenissen. Toen een paar dagen na het nieuws van het overlijden van Fred Pa en Ma 's avonds van de begrafenis thuiskwamen, lagen Zus en ik al op bed. Wat ik me nog heel goed herinner is dat Ma die avond ontzettend heeft gehuild ......
Fragment van de rouwkaart van neef Fred (1962)
Later in dat jaar, december 1962, stierf Oma L., de moeder van de vrienden van mijn ouders die in 1959 naar Amerika waren geëmigreerd. Oma was niet mee verhuisd naar het verre Californië en woonde niet ver bij ons vandaan in Schiedam. Op zich heb ik van haar ziekzijn en sterven niet zoveel meegekregen, waarschijnlijk omdat het niet mijn eigen oma was. Omdat haar geëmigreerde kinderen natuurlijk niet voor de begrafenis even over konden komen, wilde zij via beeldmateriaal verder er over geïnformeerd worden. Daarom is er een smalfilm van haar begrafenis gemaakt en foto's van haar op haar sterfbed. Die zijn naar hen opgestuurd, maar één van die foto's heb ik, per ongeluk, gezien en ik herinner me dat nog goed. Niet dat ik dat heel erg eng vond, ik vond het gewoon vreemd. Vandaar dat dit sterfgeval, aan het begin van mijn pubertijd, me altijd bij is gebleven.
Oma L. (links) op haar (een na?) laatste verjaardag waarop ook Pa en Ma (naast Oma en uiterst rechts) aanwezig waren 
Een jaar later, in november 1963, stierf één van mijn eigen oma's, Oma van de P. Mijn vader was een nakomertje en ik kwam pas ter wereld toen mijn vader dertig jaar was. Dus heb ik mijn oma alleen maar bewust meegemaakt in de herfst van haar leven. Ik herinner haar het liefst van de periode dat ze nog zelfstandig woonde in de Rembrandtlaan in Schiedam. Ze was toen bijna tachtig jaar.
Oma van de P. op haar bank in de Rembrandtlaan in Schiedam
Oma woonde daar in op de bovenste etage van een drie verdiepingen huis, niet ver van ons eigen huis. We gingen haar op zondag opzoeken, lopend, en er waren dan soms ook meerdere ooms en tantes op bezoek. We speelden vaak met de dan aanwezige kleinkinderen in haar "mooie" achterkamer. Daar stond een parfumkruikje dat wij interessant vonden. Het kruikje was weliswaar leeg, maar die kurk die er op zat rook nog heel erg naar het parfum dat er ooit ingezeten had. Wat Oma erg goed kon maken was tomatensoep, in mijn idee was het de lekkerste soep van de hele wereld. Ik kan me Oma alleen maar herinneren met sombere, zwarte kleren aan, precies zoals ze op de haar bank zit op de foto hierboven. Van direct contact met haar kan ik me eigenlijk niet veel meer herinneren. Maar van mijn veel oudere nichtje Sjaan weet ik dat Oma erg lief kon zijn.

De laatste jaren van haar leven kon Oma niet meer alleen wonen. Eerst is ze bij een zoon van haar gaan wonen in Rotterdam, maar dat liep al erg snel mis door ruzie met haar schoondochter. Daarna is ze bij een dochter in gaan wonen in Vlaardingen. Zij vormde met haar tweede man een heel sociaal echtpaar, beide waren ze lid van het Leger des Heils. Oma was daar goed op haar plek en daar heeft ze nog een paar goede jaren gehad.
Oma met tante Lies, zus van mijn vader, en Zus op haar inwoonadres in Vlaardingen
We hebben haar als gezin nog regelmatig bezocht. De laatste keer dat ik Oma gezien heb, was toen ik samen met Pa haar opgezocht heb in het Hofsingel Ziekenhuis in Vlaardingen. Oma was toen al erg zwak. Niet lang daarna is zij gestorven, 85 jaar oud. Dat was ze ook, oud .... en versleten. Ze is begraven op begraafplaats Emous in Vlaardingen, ik heb haar (algemene) graf nog vaak bezocht om er wat zelf-geplukte bloemetjes op te zetten. Want hoewel het voor mij geen super oma is geweest, heeft haar dood een grote indruk op mij gemaakt. Hoewel haar steen al lang van haar graf verwijderd is, is het graf nooit geruimd. Een jaar of vijftien geleden heb ik van één van de eerdere beheerders van de begraafplaats informatie gekregen waar zij precies begraven is. Die plek ligt nu in een urnentuin. Ik kom nog regelmatig op de begraafplaats en wanneer ik dan langs dat "plekje" loop, zeg ik haar altijd even hardop gedag.

14 juni 2020

Mijn ouders (deel 1, 1919 - 1960)

Het wordt eens tijd om meer in detail in te gaan op het levensverhaal van mijn ouders. Dit eerste deel, tot ongeveer het eind van de vijftiger jaren, verhaalt over waar mijn ouders geboren en opgegroeid zijn en waar ze elkaar ontmoetten. Verder verhaalt het over hun trouwen en de eerste tien jaar van hun huwelijk tot eind jaren vijftig. Het eind van die periode heeft een overlap met de eerste "posts" van deze blog. Het streven is om deze post te publiceren precies 75 jaar na hun trouwdag op 14 juni 1945.

Pa zag het levenslicht in 1919, in de Bleekerstraat, gelegen in  de oude binnenstad van Schiedam. Hij was een nakomertje, zijn moeder was al over de 40 toen ze hem baarde. Zijn kinderjaren heeft hij voor een deel op de Parallelweg doorgebracht, waar zijn moeder een waterstokerij runde. Zijn vader was metselaar. Op latere leeftijd leed zijn vader aan een geestesziekte. Daardoor zijn zijn ouders in 1936 van tafel en bed gescheiden. Mijn vader is toen met zijn moeder en oudere zus "Lies", via een tussen adres bij familie, uiteindelijk op de Rembrandtlaan gaan wonen. Zijn vader (mijn Opa dus) heeft na de "scheiding" op meerdere adressen bij familie ingewoond en is tenslotte opgenomen in de psychiatrische instelling Sint Bavo te Noordwijkerhout. Die onzekere, rommelige tijd was een moeilijke periode in het jeugdige leven van mijn vader.

Een belangrijke gebeurtenis in de vroege jeugd van mijn vader was, dat zijn pijama vlam vatte toen hij met lucifers aan het spelen was. Hierdoor liep hij ernstige brandwonden op, vooral aan een arm en een pink. Dat was de reden dat hij op latere leeftijd altijd een overhemd met lange mouwen droeg. Het verhaal gaat dat zijn zus Lies ernstigere verbranding wist te voorkomen, wellicht zelfs zijn leven heeft gered, door een doek over de vlammen te gooien, waardoor het vuur doofde.
Pa als zevenjarig jochie op schoot van zijn vader (1926)
Foto ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijksfeest van zijn ouders.
Pa was van jongs af aan altijd in voor gekkigheid en grapjes uithalen. School vond hij niet zo belangrijk en hij ging al gauw werken in een veterfabriek, totdat hij (vlak) voor de Tweede Wereldoorlog bij de chocoladefabriek "de Baronie" in de Warande te Schiedam ging werken, als decorateur van bonbons en suikerwaren.

Ma kwam in 1921 ter wereld in de Maasdamsestraat, gelegen in de wijk "de Gorzen" in Schiedam. Zij was het tweede kind in het gezin waar ze geboren werd. Haar vader en moeder waren erg jong getrouwd, 20 en 16 jaar respectievelijk. Omdat haar moeder minderjarig was, had het paar speciale "ambtelijke" toestemming nodig voor het huwelijk. Ma's oudere broertje is heel jong gestorven, waardoor mijn moeder in feite het oudste kind in het gezin werd. Daarom moest ze al gauw haar steentje bijdragen aan de inkomsten van het jonge gezin. Tijdens haar opleiding aan de huishoudschool zou ze al bij kruidenier Lohman gewerkt hebben. Na de leerplichtige leeftijd moest ze al snel meewerken om de inkomsten van het gezin op een aanvaardbaar niveau te brengen. Haar hele jeugd heeft ze in De Gorzen gewoond. Ook zij ging bij de bovengenoemde chocoladefabriek werken en daar hebben mijn ouders elkaar leren kennen.
Ma (linksboven) in een groepsfoto gemaakt in de Gorzen (ca. 1935).
Hun verkerings- en verlovingstijd zullen zeker niet erg ontspannen geweest zijn, aangezien die samenviel met de Tweede Wereldoorlog. Ze verloofden zich in 1943 tijdens een vakantie in Beekbergen.
Verlovingsfoto van Pa en Ma (Beekbergen, 1943)
Wel hadden ze in de oorlog hele goede vrienden, wat het oorlogsleven zeker een stuk aangenamer maakte. We hebben foto's van hen met die vrienden ik alle combinaties van drie personen, jammer genoeg niet een foto waar ze alle vier opstaan. De lol van de foto's maken straalt duidelijk van de twee foto's beneden af.

Van de onderste foto is duidelijk dat ze op de fiets waren .......

Tegen het eind van de oorlog (1944) ging Pa als kantoorbediende bij de "Centrale Keuken" van de Gemeente Schiedam werken. In deze periode was voedsel schaars en het vervoer daarvan werd belemmerd. Veel Schiedammers kregen het niet voor elkaar om een warme maaltijd op tafel te zetten. Daarom startte de Gemeente Schiedam. zoals vele andere gemeenten, met een "Centrale Keuken", die voor de verschaffing van warme maaltijden aan de bevolking zorgden. Deze keuken was gevestigd in de Hoofdstraat en met behulp van coupons (distributiebonnen) konden Schiedammers maaltijden afhalen bij de uitdeelpunten, o.a. aan de Dwarsstraat. De maaltijden wisselden tussen pap, soep én aardappelen met groente en jus.

Vlak na de oorlog, op 14 juni 1945, zijn Pa en Ma getrouwd in het stadhuis van Schiedam. 
Het jawoord is gegeven, ontspannen lachend op het bordes van het stadhuis
Direct na het trouwen gingen mijn ouders in het Singelkwartier van Schiedam wonen, eerst op de Professor Kamerlingh Onneslaan (etagewoning) en in februari 1946 in de Stephensonstraat, een benedenwoning met tuin. Hier werd Zus geboren (1946) en ze groeide hier op tot een kleuter.
Ma en Zus en hondje Teddy voor de deur in de Stephensonstraat (1947)
Een paar jaar later was Ma voor de tweede keer in verwachting en werd het huis aan de Stephensonstraat te klein. Hierdoor verhuisden ze naar de Slachthuisbuurt te Schiedam. Dit was een gloednieuwe wijk, die gebouwd was met de stenen uit het geruimde puin van het bombardement van Rotterdam. Daar werd ik geboren, en wel in de Geert Reinderstraat 28c. Twee jaar later verhuisden we gevieren één portiek verder naar 30c. Deze woning had een slaapkamer meer.
Blogger met Zus (1950)
Zoals al verteld, werkte Pa aan het eind van de oorlog bij de Gemeente Schiedam. Toen de oorlog afgelopen was, bleef hij daar in een administrative functie werken. Maar zoals al gezegd, was er van zijn studie niet veel terecht gekomen. Daarom deed hij in de avonduren cursussen om toch diploma's te halen, zodat hij promotie kon maken op zijn werk. In de mid jaren vijftig behaalde hij zijn diploma "Middelbare Bedrijfsadministratie" en  het "Praktijkdiploma Boekhouden". Een prachtige prestatie voor iemand in een gezinssituatie én die leren niet zo heel erg boeide. Maar belangrijk is ook dat Pa hier duidelijk een les uitgetrokken heeft. Hij heeft mij altijd duidelijk gemaakt dat "leren & studeren" heel erg belangrijk is. Dat heb ik opgepikt, in de praktijk gebracht en meer. Ik heb het weer overgebracht op mijn kinderen en zelfs mijn kleinkinderen probeer ik deze levensles bij te brengen. En ik denk met succes .....

Zoals alle vaders uit die tijd, drukte Pa een dominante stempel op ons gezinsleven en was hij af en toe opvliegerig. Ma was zijn tegenpool: timide, stil en verlegen. Toch wist ze in het gezin veel voor elkaar te brengen, door dingen te doen die eigenlijk tegen de zin van Pa in waren.

Verder was Pa creatief. In de oorlog had hij al geschilderd en hij speelde accordion. Op feestjes en partijen speelde hij graag toneel en hij kon mooie dingen maken met de figuurzaag. Zo heeft hij voor blogger een compleet circus gefiguurzaagd. Een verdere hobby van hem was lezen.
Pa (rechts) in actie op het toneel
Ma was creatief met textiel. Ze breide en haakte veel en maakte voor een deel haar eigen en onze kleren. In deze tijd zat ze ook op een zwemclub in het Sportfondsenbad in Schiedam. Dat bad lag een steenworp afstand van waar wij woonden. Ik weet niet of in deze tijd "kruiswoordpuzzels oplossen" een hobby van haar was, maar op latere leeftijd in ieder geval wel. Belangrijk is te vertellen, dat ze halverwege de jaren vijftig last had van een ernstige vorm van reuma. Ze werd daarvoor behandeld met z.g.n. goudinjecties; met succes bleek achteraf. Maar nog later zou blijken dat die injecties ernstige bijwerkingen konden hebben. Daar kom ik in een latere post op terug.
Ma verkleed als oosterse schone tijdens een feestje van de zwemclub.
Ze staat links naast de vrouw met Chinese hoed, Lenie Nieman, die ook haar buurvrouw in de straat was.
Wellicht wel leuk te vertellen dat in de vijftiger mijn vader zich verplaatste met een "fiets met hulpmotor" van het merk Berini. In de volksmond werd dit vervoersmiddel "eitje" genoemd. Ik vond het een grappige "fiets" en als kleine jongen liep ik Pa, wanneer hij uit zijn werk kwam, een stukje tegemoet zodat ik een klein eindje met hem mee mocht rijden. Waarom het een eitje genoemd werd? Dat blijkt wel uit de onderstaande foto.
Ons gezin met tante B., inclusief Pa's "rijwiel met hulpmotor" (1953)
In de jaren vijftig, de eerste tien jaar van mijn leven, gingen mijn ouders het meeste om met de familie L. (link), het Indische gezin dat in het zelfde portiek woondeals wij, het gezin van mijn vaders zus Lies (die een portiek verder woonde) en met mijn moeders jongste broer en zijn vrouw (link). Deze frequente contacten bepaalden voor een deel de kinderen met wie Zus en ik speelden en met wie wij op vakantie gingen.

Tot slot nog een foto van ons gezin de genomen is aan het eind van de periode die ik in deze post beschreven heb.
Ons gezin op de veertigjarige bruiloft van de ouders van mijn moeder (1960)



04 juni 2020

Bruno, onze tweede hond (1960-1975)

Ik heb al eerder verhaald over "mijn" eerste hondje Teddy. Natuurlijk was hij niet alleen van mij, het was een hond van het hele gezin. Een paar maanden na Teddy's overlijden hebben Ma en Zus een hond gekocht op de markt in Rotterdam, Bruno. Dat moet dus ook in 1960 geweest zijn.
Ma met de piepjonge Bruno
Bruno was wat karakter betreft een heel andere hond dan Teddy. Teddy liet alles toe wat wij met hem deden, maar Bruno niet. Bruno beet, letterlijk en figuurlijk, van zich af. Zo vond ik het leuk om met hem te ravotten in de hal bij ons thuis. Ik ging dan op mijn knieën zitten, met mijn hoofd naar voren, en duwde Bruno met mijn hoofd van me af. Dat vond Bruno in het begin ook wel leuk, maar wanneer hij er genoeg van kreeg ging hij brommen. Ging ik dan nóg door, dan beet Bruno me, in mijn haar of in mijn neus of oren , wat hij maar te pakken kon krijgen. Ja, dan hield ik er wel mee op, maar ik noemde hem dan wel een "nijdas". Goed, nu realiseer ik me wel dat het mijn eigen schuld was dat hij me beet.
Bruno met Zus op het balkon in de Geert Reindersstraat
Eigenlijk was Bruno wel een rustige hond, maar hij kon onder omstandigheden wel heel erg zenuwachtig zijn. Bijvoorbeeld als Ma of Pa van de "groep" wegliep, dan wilde hij er achteraan en kon dan heel irritant gaan hijgen of blaffen. Ook wanneer hij met de auto meeging, was hij erg zenuwachtig. Hij moest altijd zien waar hij naar toe reed en moest dan altijd op iemands schoot staan. Bij lange ritten, bijvoorbeeld naar België, kon dat erg pijnlijk zijn. Later gaven we hem dan een pilletje om hem rustig te krijgen, ook voor zijn eigen bestwil.

Katten hebben vaak een lievelingsplaatsje waar ze hoog kunnen liggen, maar toch nog van boven beschermd zijn, bijvoorbeeld óp een stoel die ónder de tafel is geschoven. Het lievelingsplaatsje van Bruno was in de vensterbank van de voorkamer, dan kon hij naar buiten kijken. Wij woonden op de derde etage van de flat, dus hij had dan goed uitzicht. Wanneer hij één van ons buiten zag aankomen, begon hij altijd te blaffen.
Bruno op zijn lievelingsplekje in de vensterbank
Zelf was ik ook altijd erg bezorgd om Bruno. Ik kan me herinneren dat hij een keer "losgebroken" was met uitlaten en niet meer terugkwam, hoe Pa ook riep. Hij is daardoor ook een keer 's nachts buiten geweest. Toen ik dat 's morgens hoorde, vond ik dat maar niks en ben hem gelijk gaan zoeken. Toen ik hem gevonden had, wilde hij ook niet naar mij luisteren en kon ik hem pas na lang volgen eindelijk weer aan de riem vast maken. Ik weet wel dat ik erg gehuild heb tijdens die vangpogingen en dat andere jongens daar vreselijk om gelachen hebben. Het kon me niks schelen.
Bruno, ongeveer 5 jaar oud
Toen Zus en ik beiden verkering kregen, is het meer mijn vader's hond geworden. Pa liet hem altijd 's avonds uit voor een grote ronde; hier kom ik in een latere blog op terug. In tegenstelling met Teddy is Bruno wel oud geworden. Begin jaren 70 is hij nog met mijn ouders meeverhuisd naar Vlaardingen. Op het laatst van zijn leven werd hij erg doof en liet zijn gezichtsvermogen erg te wensen over. Hij liep tegen tafelpoten aan en blafte tegen zijn eigen schaduw. Ik weet niet of mijn ouders hem hebben laten inslapen of dat hij vanzelf is gaan hemelen. In ieder geval is hij "van ouderdom gestorven", hij is 15 jaar geworden.

09 mei 2020

Mijn eerste "baantje" (1960 ~1965)

Bij ons in de wijk waren twee bakkers actief die langs de deur kwamen om brood te verkopen. Een bakker was van de CO-OP (ook wel DES genaamd) en de andere van Van der Meer&Schoep. Dat rondbrengen van het brood ging met een bakkers-fietskar, eenmaal ter plekke werd dan met een mand het brood langs de deur verkocht. Elke bakker had dan zo zijn eigen klanten.

Mijn eerste baantje was het helpen rondbrengen van brood door bakker Wolzak, die in dienst was bij de CO-OP aan de Kethelstraat in Schiedam. Daar ook haalde hij het brood op voor zijn wijk in Schiedam-West. Ik begon ermee toen ik ongeveer tien jaar was en ik heb het ongeveer een jaar of vijf gedaan. Ik weet echt niet meer hoe ik op het idee kwam. Mijn werk bestond uit een aantal klanten te bedienen die op de hogere etages woonden in de flatgebouwen in de wijk waar ik woonde. De lagere flatgebouwen hadden geen lift, dus mijn hulp scheelde bakker Wolzak elke dag flink wat traplopen. Ook hadden wij in de wijk twee hoge flatgebouwen van elf verdiepingen, maar die hadden wel een lift. Ook daar had ik een aantal klanten die ik bediende. Het rondbrengen daar was niet zo'n "adembenemend" karwei, maar het was wel tijdrovend.
Bakker Wolzak op zijn bakkerskar
Op de lagere school bracht ik elke dag tussen-de-middag, en ook op zaterdagmiddag, brood rond. Maar toen ik naar de middelbare school ging, kon ik alleen nog maar op zaterdagmiddag werken. Ik werkte dan totdat bakker Wolzak klaar was met zijn wijk, meestal zo rond een uur op vijf. Door de weeks in de middagpauze was het best wel doorwerken, want ik moest natuurlijk thuis ook nog eten. Ik verdiende er ook nog wat mee, in het begin een dubbeltje (10 cent) en dat werd later meer. Het meeste dat ik op één dag verdiende was een rijksdaalder (fl. 2,50) en dat verdiende ik op de zaterdagmiddagen. Dat geld betaalde bakker Wolzak me gewoon uit de geldtas die hij om had, waarin hij het geld ontving van zijn klanten. Dus persoonlijk kostte hem dat waarschijnlijk niets. Ook kreeg ik op hoogtijdagen iets extra's uit de broodkar, bijvoorbeeld een boterletter, speculaas of ander "gebak". Het geld dat ik verdiende spaarde ik in een spaarpot en ik hield in een kleine agenda precies bij hoeveel ik gespaard had. Van het geld dat ik verdiende heb ik onder andere mijn eerste fiets gekocht. Jawel, de fiets waarmee ik met mijn vader naar België ben geweest. Maar Pa zal bij het kopen van de fiets best wel wat bijgelegd hebben .......

Ik herinner me nog een aantal bijzondere dingen/gebeurtenissen. Bakker Wolzak kreeg altijd een bepaalde hoeveelheid brood mee, dat gebaseerd was op de verkopen van de vorige weken. Soms had hij brood over, maar soms kwam hij ook brood te kort. Wanneer hij over had was dat op zich geen probleem, dat gaf hij gewoon terug. Wanneer hij tekort kwam had hij geen zin om op en neer naar de Kethelstraat te fietsen om het te halen, dat was toch gauw totaal vijf kilometer. Hij kocht dan brood van zijn collega bakker van de Meer&Schoep. En dat was over en weer. Ook kwam hij soms bepaalde soorten brood te kort, zoals "melkbrood". Dan "toverde" hij "gewoon brood" om in melkbrood door een ouweltje met daarop "melkbrood" onder het "gewone" brood te plakken. Een andere gebeurtenis die ik me goed herinnerde was op Sinterklaasdag 1962 (het jaartal heb ik even opgezocht op internet). Na afloop van de broodbezorging ging ik nog even mee naar het "depot" aan de Ketelstraat om een boterletter in ontvangst te nemen. Op die dag mistte het heel erg en de mist werd steeds dikker; je zag letterlijk geen hand voor ogen meer. Ik ben weer thuisgekomen, maar het was een dusdanig enge ervaring, dat ik het me nu nog steeds heel goed herinner (op het jaartal na dan, haha).

Bakker Wolzak verhuisde na een aantal jaren (terug) naar het Gooi. Dat was het einde van mijn eerste baantje.

Daarna, en voordat ik hele dagen ging werken, heb ik nog een aantal kleine baantjes gehad, voornamelijk in de vakanties. Dat was steeds het rondbrengen van kranten. Eén zomervakantie heb ik een ochtendkrant rondgebracht, dat was een krantenwijk in de nieuwe wijk Groenoord. Ik weet nog goed dat ik dan met mijn fiets veel moest ploegen door zand, omdat nog niet alle wegen in de wijk "bestraat" waren. Een vervelend klusje bij dat baantje was, dat ik van sommige maandabonnee's ook het abonnementsgeld moest incasseren en dat die mensen niet altijd het geld daarvoor hadden. Dan moest ik steeds weer terug tot ze het wel konden betalen. Daarom heb ik dat maar één zomervakantie gedaan. De andere vakantiebaantjes waren het rondbrengen van folders en huis-aan-huis bladen. Elke wijk in Schiedam had zijn eigen huis-aan-huisblad, zoals het Wester Nieuws, Zuider Nieuws, Nieuwland Nieuws, enz. Deze bladen haalde ik op bij drukkerij "Van de Water" in de van Beverenstraat. Dat werk heb ik enkele zomervakanties gedaan, want buiten de schoolvakanties had ik geen tijd hiervoor, ik wilde en moest keihard leren en studeren om voldoendes te halen op mijn middelbare schoolrapport ....... daarover later meer.
Eén van de huis-aan-huisbladen die ik rond bracht.


02 mei 2020

De Jan Ligthartschool (1956-62) en Meester van der Gaag

Van 1956 t/m 1962 heb ik mijn lagere schoolonderwijs gehad op de Jan Ligthartschool in Schiedam. Wat herinner ik me hiervan, welke leerlingen hebben indruk op mij gemaakt en welke meesters (m/v) waren belangrijk voor mij en mijn ontwikkeling?

Van de lagere klassen herinner ik mij juffrouw Doesburg. Dat vonden we allemaal een hele aardige juf. We waren er achter gekomen waar ze woonde en gingen haar toen af en toe thuis ophalen voor het begin van de les. In die lagere klassen zat ook een hele brutale jongen, die regelmatig straf kreeg (in de hoek staan en zo). Soms was hij zo vervelend, dat hij uit de klas gestuurd werd. Het "ergste" dat we meemaakten, was dat hij de juf uitschold, hij noemde haar "een sigaar". Erg hè?! Nou, in die tijd was dat wel heel erg brutaal!
Blogger in een van de eerste klassen van de lagere school

De foto van de klas van juf Doesburg. Het is niet zeker of dit ook juf Doesburg is of een vervangster.
In de hogere klassen was Meester van der Gaag de leraar die de meeste indruk maakte. Eigenlijk was hij voor mij de meest interessante leraar van de lagere school. Hij was niet alleen aardig, maar hij was ook bijzonder. Zo had hij een plattegrond getekend van Schiedam, helemaal op schaal, en daarmee leerde hij ons kaartlezen. Dat was het begin voor mijn interesse in kaarten en kaartlezen. Ook had hij in een hoek van het schooltuinencomplex "De Vijfsluizen" een privétuintje met zeer bijzondere planten. Hij had onder andere een hoekje met rotsplantjes en daar was ook met stenen een rots formatie gemaakt. Na schooltijd ging ik regelmatig naar dat tuintje toe en dan kon Meester van der Gaag er heel interessant over vertellen.

In de hogere klassen hadden we ook sporttoernooien. Ik kan me herinneren dat ik meegedaan heb aan een handbaltoernooi en een korfbaltoernooi. In beide toernooien speelden we gemengd. Hieronder een herinnering aan het korfbaltoernooi.
Korfbaltoernooi met mijn klasgenoot Wimmie van der Meer
Het hoogtepunt in de zesde klas was het schoolkamp in Oosterhout, waar alle hoogste klassen van Schiedamse scholen, om beurten, een week naar toe mochten. Een herinnering om niet te vergeten, dat bevestigen alle leerlingen die daar geweest zijn. Je was een midweek van huis, sliep met je klasgenoten op zalen (jongens en meisjes apart), je had corvee, ... nu noem maar op. Verder grensde het terrein aan een oefenterrein voor militairen en de schuttersputjes daar vonden wij jongens heel interessant. Ook gingen we een dag met de bus naar Gent, om die plaats te bekijken. Onder een foto gemaakt na de uitreiking van de prijzen van de sportwedstrijden die tijdens het schoolkamp werden gehouden. Ook de blogger, knielend derde van links, won een prijsje (waarschijnlijk met verspringen).
De prijswinnaars van de wedstrijden die georganiseerd werden op het kamp.
Boven de blogger zijn lagere schoolliefde Jannie.
Natuurlijk werd het verblijf op de lagere school afgesloten met een toneelstukje op de afscheidsavond. Ik had daarin niet een rol waarbij veel gesproken hoefde te worden, ik lag eigenlijk alleen maar een beetje "interessant" te zijn. Dus niet een rol om trots op te zijn. Als "negerkoning" (sorry voor het woord, zo heette dat toen) werd ik met een waaier koelte toe gewuifd, dat is het enige wat ik me daarvan nog herinner. Nou ja, het enige .... Toen het toneelstuk afgelopen was moest de zwarte schmink er weer af, en dat was een langdurig en vervelend karweitje. Dat was ook wat de "ontschminkers" tegen me zeiden: "het is nu even vervelend, maar later is het een leuk verhaal om het te vertellen". Ze hebben het bij het rechte eind gehad, haha.

In de laatste klas van de lagere school was het de vraag welke vervolgopleiding ik wilde gaan doen. Ik had er niet zo'n mening over, voor zover als ik me kan herinneren. Maar zeker mijn vader wilde het hoogst haalbare. Daarom deed ik, met nog acht medeleerlingen, toelatingsexamen voor de hogereburgerschool (HBS). Het was voor mij een indrukwekkend gebeuren in dat statige gebouw, naast het Proveniershuis in het centrum van Schiedam. Ongeveer de helft van de deelnemers uit onze klas slaagde, waaronder ikzelf. Ik weet niet meer óf het met de hakken over de sloot was, maar mijn toenmalige Meester, Brand, voorspelde dat ik de eerste drie jaar best wel mee zou kunnen komen, maar dat het daarna een moeilijke klus zou worden. Hij gaf er als verklaring bij dat ik wel goed kon "onthouden", maar echt de stof "begrijpen" zou lastig worden. Het uiteindelijke resultaat was dat ik als enige van de vier alle klassen in één keer heb doorlopen en volgens mijn herinnering, de andere drie zelfs geen diploma hebben gehaald. Maar Meester Brand had zeker gelijk in het feit dat ik het niet cadeau heb gekregen, ik heb er keihard voor moeten werken.

Een laatste herinnering aan de Jan Ligthardschool kwam een jaar nadat ik de school had verlaten. Een oud-klasgenoot vertelde me dat de echtgenote van onze klassenleraar Meester Brand was overleden. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.

15 april 2020

Fietsend naar tante Elisa en Ome Louis, Chêne, België (1961)

Wat ik al decennia graag doe, is (meerdaagse) trektochten maken. Wandelend of fietsend, dat maakt weinig uit, maar in de praktijk komt het, zeker de laatste tijd, neer op wandelen. Wat minstens zo leuk is, is er over lezen en plannen maken om het te doen, waarbij het uitstippelen van de reis op de kaart ook erg belangrijk is.

Waar en met wie heb ik dat zoal gedaan? Met zwager Hans op de brommer naar Zuid-België in één dag en later weer terug (1967). Met zwager Leen op de bromfiets naar de bron van de Maas, naar de landingsplaatsen in Normandië, naar Wales en naar de Sognefjord in Noorwegen (1975-1978). Met mijn lieve Diny wandelend in België, Engeland en een stuk van de GR5 van Hoek van Holland naar de Franse grens, maar ook in Noorwegen op de Hardangervida (1985-1999). Met het gezin in de Zwitserse Alpen (1982-1991) en later alleen in Noorwegen, inclusief een pelgrimstocht van Bergen (N) naar Trondheim (2000-2019). Maar het begon allemaal met de elfdaagse trektocht van Schiedam naar Chêne in de Belgische Ardennen v.v., met mijn vader op de fiets en onderweg voornamelijk kamperend. Dáár heb ik deze voorliefde voor trektochten vandaan! Hieronder een kort verslag van mijn eerste trektocht.

Ik weet niet meer precies wanneer het was, maar het is waarschijnlijk begin 1961 geweest. Mijn vader vroeg me of ik zin had om in de Paasvakantie naar België te fietsen en onderweg te kamperen. We hadden al eens eerder een poging gewaagd om daar naar toe te gaan. Dat was een paar jaar daarvoor toen we op vakantie waren in Voorthuizen en het liefste broertje van Ma, Ome Wout (zie blog "Mijn eerste herinneringen"), samen met zijn vrouw (tante Ida), bij ons op bezoek kwam. Ome Wout had een motor met zijspan. En Pa en ome Wout kwamen op het idee om naar België te gaan om daar tante Elisa en ome Louis te bezoeken. In de zijspan was nog plaats voor iemand en ik wilde best mee. Het bleek toen echter een brug te ver om dat in één dag (heen en weer) te doen en halverwege, in Hoei aan de Maas, zijn we weer terug gegaan. Nu had ik weer de kans om er naar toe te gaan en die kans greep ik maar al te graag. Het leek me leuk en spannend.

Maar voordat we daadwerkelijk op de fiets zaten, was er eerst nog de "voorpret". Mijn vader liet me op de kaart zien hoe de route zou zijn. En met "op de kaart" bedoel ik op kaarten in een oude atlas (uitgave van Het Rotterdams Nieuwsblad) die mijn vader rond 1940 bij elkaar had gespaard via een losbladig systeem; elke dag of week een paar bladzijden. En die losse bladzijden waren uiteindelijk ingebonden tot een heuse, dikke wereldatlas. Ik heb die atlas trouwens nog steeds, zie foto. Elke provincie (van Nederland en België) had zijn eigen kaart. Dus op die kaarten liet mijn vader zien hoe we er naar toe zouden gaan. Daarna heb ik nog wekenlang elke keer die atlas gepakt en heb ik die route voor mezelf herhaald, net zo lang tot ik hem uit mijn hoofd kende.

Ook de fietsen werden goed nagekeken. We hadden allebei een Benzo-fiets, Pa een fiets met drie versnellingen (Sturmey Archer) en ik een gewone fiets zonder versnellingen. Voor mij werd een nieuwe fietstas gekocht. Ik kreeg als bagage de (lichte) kleren, slaapzakken en luchtbedden en mijn vader de zware tent en tentspullen. Alles werd heel goed voorbereid.

We zouden  in vier dagen heen fietsen, drie dagen blijven logeren bij tante Elisa en Ome Louis in Chêne (bij Ebly), en dan ook weer in vier dagen terug fietsen. De route ging via de overnachtingsplaatsen Baarle-Nassau, Tienen, Celles (achter Dinant) en terug over Hotton, Eijsden en Vessem. Totaal zo'n 670 kilometer. En ..... alles is volgens plan verlopen.
Zo zou de route er anno 2020 uitgezien hebben
Welke details herinner ik me nog van de reis en het verblijf? In zijn algemeenheid kan ik me niet herinneren dat we veel ongemak hebben gehad door bijvoorbeeld regen of kou. Rond de Pasen kan het natuurlijk 's nachts best wel koud zijn  en dat zou ik me toch herinnerd moeten hebben met slapen in een tentje. Pa vertelde wel veel onderweg over wat hij "toen" meegemaakt had. Hij had de tocht namelijk al eens eerder gedaan, in 1952 samen met zijn zwager (mijn ome Wout) waar ik al eerder over verhaald heb. Die verhalen vond ik erg leuk.

Wat op de heenweg indruk op me gemaakt heeft was het bordje "gezinsverpleging" bij de gemeente Geel. Daar leefden psychische patiënten in redelijk grote aantallen bij gewone gezinnen (ik heb het even opgezocht, deze eeuwenoude traditie bestaat nog steeds!). Verder de eerste serieuze "berg" (eigenlijk een heuvel) bij Diest, de citadel van Namen, de rots de Bayard (uit een legende van de Vier Heemskinderen), het roken van mijn eerste sigaretje (je bent nu groot en mag je een sigaretje roken, gelukkig vond ik het hartstikke vies!) en de eerste echt serieuze klim, waarbij we bijna vijf kilometer moesten wandelen.
Bij de rots de Bayard, Dinant
Mijn eerste sigaretje ...... vies!
Met de Paasdagen logeerden we bij tante Elisa en Ome Louis. Het verhaal van en over deze twee lieve mensen is best erg interessant om hier te vertellen. Zoals al boven vermeld, had Pa deze tocht al eerder gemaakt, samen met zijn zwager Wout, alleen dan op brommers (zie foto onder). Een aantal kilometers voor Chêne ging ome Wout onderuit en had een lelijke wond aan zijn arm. Ze vroegen bij de plaatselijke bevolking om hulp, maar de taal (Frans)  bleek een grote barrière. Ze werden verwezen naar een vrouw die Vlaams sprak in Chêne, tante Elisa dus. Zij bood hulp en zo ontstond een, de band. Elisa en Louis waren getrouwd, maar bewust kinderloos. Louis had in de eerste wereldoorlog gevochten in de loopgraven en had daar zeer veel leed en ellende meegemaakt. Hij was bang dat er nog een oorlog zou komen en die ellende wilde hij zijn eventuele kinderen niet aandoen. Wat een vooruitziende blik! Dit verhaal maakte diepe indruk op me en ik had dan ook veel respect voor het lieve echtpaar.

Pa op zijn Berini tijdens de tocht in zuid-België met oom Wout (1952)
Het logeren bij tante Elisa en oom Louis was erg leuk, hoewel het eten zeker niet altijd naar mijn smaak was (eieren die naar vis smaakte en hesp, een voor mij wel erg zoute ham). Ook werd er bier gedronken bij het eten, ook door kinderen, maar dat bier bevatte maar weinig alcohol, 1-2 %. Ik denk trouwens dat ik dat wel lekker vond. Maar de "tante en oom" waren best erg aardig voor mij. Het huis was ook leuk gelegen, tegen een heuvel aan gebouwd, beschut tegen de oostenwind. En het uitzicht was over weidevelden. Jammer genoeg heb ik oom Louis niet lang meegemaakt, na de eerste logeerpartij wellicht nog twee vakanties, want hij is waarschijnlijk eind 1965 overleden. We zijn na ome Louis overlijden als familie, en ik later met mijn jonge gezin, nog jarenlang bij tante Elisa gaan logeren, tot midden zeventiger jaren van de vorige eeuw. Ik moet het dan ook erg naar mijn zin gehad hebben bij het echtpaar Mathieu, die drie dagen dat ik daar met Pasen 1961 heb gelogeerd.

Tante Elisa en oom Louis voor hun huis, bij een later bezoek van Pa&Ma
Van de terugreis herinner ik me vooral La Roche-en -Ardenne, waar je met een luchtbuks kon schieten op ballonnetjes die in rijen vastgebonden in het riviertje de Ourthe lagen. Vanaf La Roche hebben we voornamelijk door het Ourthedal gefietst, stroomafwaarts tot Luik en daarna langs de Maas Nederland weer in. Dat was relatief makkelijk fietsen. Van het Ourthedal herinner ik mij de vele kasteeltjes en ik heb Pa bij een van die optrekjes vereeuwigd. Luik herinner ik mij van het uitzicht op die grote stad, waar je vanaf een heuvel mooi op kon kijken.
Pa bij één van de kasteeltjes langs het Ourthedal
Blogger bij het uitzicht over Luik
Net over de grens kampeerden we in het Nederlandse Eijsden, maar wellicht hebben we daar in een hotelletje geslapen bij een camping. Ik herinner me in ieder geval dat we daar 's avonds met mensen in een café of kantine hebben zitten kletsen. De laatste overnachtingsplaats was Vessem, waar we (weer) gekampeerd hebben op onze vertrouwde camping "de Zonnehoek" link. De laatste etappe naar Schiedam was daarom een bekende route en via het laatste obstakel, met de fiets door de Maastunnel, kwamen we na elf dagen weer thuis.

Wanneer je dit hele stuk gelezen hebt, begrijp je waarschijnlijk wel dat deze tocht grote indruk op mij, een kind van elf jaar, gemaakt moet hebben. De voorbereiding (verkennen op de kaart), de tocht met dagen achtereen fietsen, inclusief lopen tegen de steilere heuvels, kamperen, logeren bij tante Elisa en ome Louis, het kaartlezen, de hele dag in de natuur, het heeft me gevormd. Pa, bedankt dat je me dit allemaal hebt laten beleven. Ik heb er de rest van mijn leven ontzettend veel plezier van gehad!

14 april 2020

"Mijn" eerste hondje Teddy (1960)

Hoe het precies gegaan is, weet ik niet meer. In mijn herinnering was hij er ineens, het eerste hondje in ons gezin, Teddy genaamd. Waar hij vandaan kwam weet ik nog wel, namelijk uit een nestje honden bij de familie Hoek, die een portiek verder op woonde in onze straat. Het was trouwens niet de eerste hond van mijn ouders. Ze hadden in het begin van hun huwelijk een Keeshondje gehad, ik weet het nog van de foto's die bewaard zijn gebleven. Dat was een klein, wollig, wit Keeshondje. Dat was eind jaren 40 van de vorige eeuw.
Ma, Zus en het Keeshondje in de tuin aan de Stephensonstraat, Schiedam, ~1948
Het nieuwe hondje, Teddy, was natuurlijk niet "mijn" hondje. Maar het voelde wel als een enorme rijkdom. Ik was gek op dat lieve, schattige hondje, maar lang heb ik er niet van kunnen genieten. Na ongeveer drie maanden werd hij ziek en heel snel was hij dood. Ik was er kapot van. Voordat hij begraven werd, lag hij een dag in een kartonnen doos in onze "badkamer". Ik heb nog afscheid van hem genomen en aaide hem over zijn vacht. Dat voelde zo akelig, koud en stug, dat ik dat beter niet had kunnen doen. Ik herinner me het nog steeds. Hij werd bij mijn tante Riek in de tuin begraven, in de nieuwe Kerkstraat in Vlaardingen. Ik ben er nog regelmatig heen gefietst om bloemetjes op zijn graf neer te leggen; zelf geplukte margrietjes. Mijn tante en Oma V. hebben me daar later nog vaak aan herinnerd. Maar het was ook zo'n lief klein beestje ......
Teddy met Pa en Oma van de P. op het balkon in de Geert Reindersstraat in Schiedam
PS, Pa is niet expres "onherkenbaar gemaakt. Waarschijnlijk heeft blogger deze foto gemaakt en met zijn tien jaar was hij nog niet erg bedreven met fotograferen met een eenvoudig "boxje", waarmee het niet makkelijk te zien is wat je in beeld hebt ......


23 december 2019

Op vakantie naar Vessem (1957-1960)

Er zijn gebeurtenissen in het leven die echt een onuitwisbare indruk op je maken, die je vormen. Bij mij zijn dat de vakanties geweest die ik eind vijftiger jaren mocht vieren. Mocht vieren, want ik realiseer me nú dat ik echt bevoorrecht was, want wie kon er in die tijd elk jaar op vakantie? Deze blog vat een drietal van die vakanties samen, in één van mijn volgende blogs zal ik de andere vakantie behandelen die me gevormd heeft.

In de jaren 1957-1960 ging ik met mijn ouders en Zus op vakantie naar Vessem (NB). vlak bij Eindhoven. Zus en ik weten het niet meer helemaal precies, maar we zijn drie of vier geweest en we zijn op drie verschillende manieren geweest: met onze eigen auto, met de taxi en met de fiets. Eén ding is absoluut zeker, we hebben daar steeds gekampeerd.


In 1957 ging ons gezin met onze eigen auto op vakantie naar Vessem. Die auto heb ik al in een eerdere blog beschreven, een Standard (Austin) uit de 40-jaren. In de jaren daarop gingen we met de taxi en met de fiets. Het jaar dat we met de taxi gingen, gingen we samen met familie. Het laatste jaar dat we naar Vessem gingen, gingen we op de fiets.

De jaren dat we niet met onze eigen auto gingen was het meenemen van de bagage was een probleem. De zware kampeerspullen werden dan in een grote kist vooruit gestuurd met "van Gent&Loos". Maar toch hadden wij allen nog een fietstas vol achterop onze fiets, voornamelijk met kleding. Die fietstocht was zeker een avontuur voor ons kinderen van 10 en 13 jaar. Het was zo wie zo een behoorlijke afstand, ruim 100 kilometer én er moest een behoorlijke horde genomen worden: de Maastunnel. In de Maastunnel moest je namelijk met je fiets met de roltrap naar beneden en naar boven en dat was best moeilijk wanneer er ook nog volle fietstassen achterop zaten. Pa hielp ons natuurlijk wel wanneer dat nodig was. Hij zette dan eerst zijn fiets beneden neer en kwam ons dan één voor één ophalen.

Zoals gezegd, in Vessem kampeerden we en dat was in die tijd ook echt een avontuur. We sliepen met zijn vieren in een shelter-tent, met vier luchtbedden naast elkaar. Overdag werden de luchtbedden twee aan twee opgestapeld aan de zijkant van de tent en zo dienden de luchtbedden dan als bank. Eten werd klaargemaakt op een primus, een oliegestookte brander waarvan de kop werd voorverwarmd met spiritus. De foto hieronder geeft een aardige impressie van hoe we daar leefden.

Ma braadt het vlees op de primus
Eten deden we op de koffer, zoals de foto hieronder laat zien. Zus en ik zaten op onze knieën op de grond en Pa en Ma zaten op kleine visstoeltjes. Water moesten we oppompen en afwassen deden we ook bij de pomp. We stonden met de tent op een grasveld en er stonden maar een paar tenten op dat veldje, ruimte genoeg.

De maaltijd bij de tent; de koffer diende als tafel ...
We deden "simpele" dingen, zoals wandelen (zie onder), bramen zoeken waarvan Pa dan jam van maakte, krenten plukken bij de boer in het dorp. Ook was er op de camping "Zonnehoek" een kantine, waar een flipperkast stond. Dat was mijn kennismaking met "flipperen" en ik weet nu nog dat het thema van de flipperkast "kaarten"  was. Je moest proberen "setjes" te maken, zoals vier azen, vier boeren, enz. Ook herinneren we dat tijdens één van de wandelingen we kennis maakten met schrikdraad. Dat was een nieuwe ervaring voor ons en dat wilde we ook uitproberen door het aan te raken, achteraf geen prettige ervaring .....

Blogger met zus Anneke en Ma wandelend op het achterterrein van de camping
Dat kamperen en de camping in Vessem veel indruk heeft gemaakt, blijkt uit het feit dat mijn allereerste zelfstandige vakantie in 1965 kamperen in Vessem was. Onderstaande foto getuigt van dat feit, waarbij blogger samen met zijn toenmalige vriend Freek verenigd is voor de tent in Vessem. Wat opvalt is dat de tijd is voortgeschreden: alhoewel het theeketeltje nog steeds van de kampeeruitrusting van Pa en Ma was, de brander er onder was een moderne van Camping gaz. Een ding is onveranderd gebleven, de voorliefde voor kamperen is nooit bij de blogger weggegaan.

Het kamperen in Vessem was kennelijk bevallen, want jaren later ging blogger met vriend Freek op herhaling.